Historie van de Breevaart, deel 2

Een waterweg verbindt Gouda en Bodegraven

Reeuwijk – De geschiedenis van de “Associatie tot aanleg en onderhoud van de weg en vaart tussen Gouda en Bodegraven” beslaat ruim 120 jaar, waarin zij verantwoordelijk was voor particuliere wegen in de regio. In de late jaren 1830 begonnen beurtschippers echter op te staan tegen de manier waarop de Breevaart werd verbonden met de Oude Rijn. Dit leidde tot een discussie over de watervoorziening van de polder Reeuwijk, die werd geregeld door een schutsluis. Het polderbestuur eiste een nieuwe watermolen met een grotere capaciteit. In augustus 1830 bleef het polderbestuur bij deze eis, ondanks inspanningen van burgemeesters om de begroting aan te passen. Toen dat niet lukte, werd het roer omgegooid in september 1830: de schutsluis moest volledig verdwijnen.

Dit besluit stond echter haaks op de plannen van de beurtschippers, de oorspronkelijke initiatiefnemers, die hun verbinding tussen de Breevaart en de Oude Rijn cruciaal achtten voor hun trekschuitendienst tussen Gouda en Utrecht. Op 22 september 1830 vond een conferentie plaats tussen de betrokken burgemeesters en de beurtschippers, waarbij werd beloofd dat de Breevaart in Bodegraven zou worden verlengd tot aan de Brugstraat. Op het einde van deze verlenging zou een aanlegplaats worden aangelegd, zodat de beurtvaartschippers, zij het met een kleine omweg, hun verbinding met de Oude Rijn konden behouden. Een veelbelovende overeenkomst, maar de realiteit zou enkele jaren later anders blijken te zijn. Door de Belgische opstand en de onzekere situatie in Nederland was het investeringsklimaat niet gunstig. De belangstelling voor de aandelenemissie van de “weg en vaart” was aanvankelijk beperkt. Toen de associatie de schutsluis echter had opgegeven, verbeterde de begroting enigszins, waardoor het benodigde kapitaal uiteindelijk slechts 120.000 gulden bedroeg. Op verzoek van de waarnemende burgemeesters werd het aantal uitgegeven aandelen bij Koninklijk Besluit van 23 januari 1834 verlaagd tot 240 aandelen van 500 gulden.

In april 1834 werden deze aandelen verkocht, en burgemeester W. Zahn van Bodegraven werd de eerste president-commissaris, hoewel hij geen aandelen bezat. Het bestuur van de associatie kon zich nu richten op de voortgang van het project. De eerste belangrijke stappen omvatten het verwerven van grond voor de weg en het uitschrijven van aanbestedingen voor de werkzaamheden. Na deze stappen kon de organisatie van tolheffing worden opgepakt. Een van de eerste beslissingen was om het project op te splitsen in twee delen: het noordelijke deel vanaf de Alphense wetering tot aan de brug in Bodegraven en het zuidelijke deel vanaf de Alphense wetering tot aan de brug bij Het Visschertje onder Gouda. Vervolgens begon men met het verwerven van de benodigde grond voor de weg en de vaart.

Niet alles verliep even soepel; de korenmolen van Teekens bevond zich namelijk op het geplande traject van de weg en moest worden gesloopt en elders herbouwd in overleg met de molenaar. Een andere uitdaging kwam van N. IJzendoorn, de burgemeester van Broeck, Thuil en ’t Weegje, en dijkgraaf van het Hoogheemraadschap Bloemendaal, die als woordvoerder van de grondeigenaren langs de Ouwe Gouwe belangrijke eisen stelde, waaronder vrijstelling van toltarieven in de toekomst. Op 23 oktober 1834 bereikten IJzerdoorn en andere betrokken partijen in Gouda een overeenkomst. De associatie had in mei 1834 Louwrens de Groot, een opzichter van Rijkswaterstaat in Gouda, bereid gevonden om toezicht te houden op de werkzaamheden.

Het noordelijke deel van het project werd op 19 juli 1834 openbaar aanbesteed in het gemeentehuis van Bodegraven, en omvatte onder andere de aanleg van een kanaal en weg, het leggen van een duiker en de bouw van bruggen. Het zuidelijke deel van het project verliep echter niet zo voorspoedig. Ondanks een opgesteld bestek met elementen zoals het aanleggen van een aarden weg van de Alphense wetering tot aan “Het Visschertje” te Gouda, bleken hier meer obstakels te overwinnen te zijn.

Tekst: Eke Vos, AnneMarie Visser, Bron Reeuwijkse Reeks, Streekmuseum Reeuwijk

Foto’s: Streekarchief Midden Holland

MEER

Deel dit bericht:

Facebook
WhatsApp