Van Tolheffing tot Dorpsweg: de geschiedenis van de Raadhuisweg/Zoutmansweg

Reeuwijk- Het kan niemand zijn ontgaan in de afgelopen jaren is er heel wat discussie geweest over de herinrichting van de Raadhuisweg en Zoutmansweg in Reeuwijk. Zowel onder inwoners als in de gemeenteraad liepen de gemoederen regelmatig hoog op. Van ‘pad van alles’ tot doorgaande fietsroute. Vrijwel iedere variant kwam voorafgaand aan de laatste reconstructie voorbij, waarbij met name het vrij liggend fietspad in de brandpunt van de belangstelling stond en eigenlijk nog steeds staat. Leek het besluit eindelijk genomen en werd er opnieuw veel geld in de weg gestoken, mede dankzij een fikse bijdrage van de provincie bleek het eindresultaat toch niet zo veilig als gedacht. Met name de buschauffeurs kwamen met een fel protest. “Onoverzichtelijk en niet verantwoord”. De dienstdoende maatschappij dreigde zelfs de route te schrappen en opnieuw werd de ‘dorpsweg’ aangepast. Verschillende ‘obstakels’ werden verwijderd. De weg is overigens niet altijd in eigendom van de gemeenschap geweest. . Tot 1949 waren deze wegen, samen met andere in de regio, eigendom van een particuliere organisatie genaamd de “Associatie tot aanleg en onderhoud van de weg en vaart tussen Gouda en Bodegraven”. Deze organisatie beheerde de wegen en financierde dit onder andere door tolheffing bij de huidige Oude Tol. Maar hoe ontstond deze associatie en welke uitdagingen kwamen de initiatiefnemers tegen?

De reis tussen Gouda, Leiden en Utrecht in de 17e en 18e eeuw was allesbehalve comfortabel. Reizigers te paard of in rijtuigen moesten zich wagen aan zandpaden en drassige polderwegen, met alle gevaren van dien. Voor een relatief veilige reis kozen velen voor de trekschuit, die hen over het water van Gouda naar Bodegraven voerde. Ondanks enige mate van comfort, bleef het echter een tijdrovende onderneming.

In de vroege 19e eeuw begon Nederland zijn infrastructuur te verbeteren, mede dankzij de inzet van koning Willem I, bijgenaamd de “Koning-Koopman”. Initiatieven ontstonden in het gebied rond Gouda, Reeuwijk en Bodegraven om de reisverbinding te optimaliseren. Tussen 1815 en 1825 werd de “Koninklijke Straatweg” tussen Leiden en Utrecht gerealiseerd. Het belang van een verbinding met Gouda werd al snel duidelijk, en om dit te verwezenlijken moest de bestaande Breevaart tussen Gouda en Bodegraven worden aangepast en uitgebreid. Een cruciaal onderdeel was de aanleg van een schutsluis in Bodegraven om verbinding met de Oude Rijn te maken.

Bron: Reeuwijkse Reeks

Financiering

Financiering voor dit ambitieuze project zou worden verzameld via een aandelenuitgifte, ook wel bekend als een negotiatie. Maar hiervoor was goedkeuring en medewerking van de overheid noodzakelijk. Dit bracht de initiatiefnemers ertoe om op 3 augustus 1827 een verzoek tot concessie in te dienen bij koning Willem I.

Tegelijkertijd waren de burgemeesters van Bodegraven, Reeuwijk en Zwammerdam bezig met plannen om de communicatie tussen Gouda en de Rijksstraatweg te verbeteren. Dit idee om een trekschuitendienst op te richten bereikte mogelijk ook Johan Louis van Beresteijn, de burgemeester van Reeuwijk, die tevens beurtschipper was. Het plan werd enthousiast omarmd door Leendert Proos Hoogendijk, notaris en burgemeester van Zwammerdam, en vooral door Wouter Zahn, de energieke burgemeester-notaris van Bodegraven.

Ondanks enkele strubbelingen met lokale polderbesturen, werd in 1828 een verzoekschrift ingediend bij koning Willem I. Hierin benadrukten Zahn, Proos Hoogendijk en Van Beresteijn het belang van de verbetering van de verbinding tussen Gouda en Bodegraven, niet alleen voor personen- en goederenvervoer naar Utrecht en Rotterdam, maar ook voor het recent voltooide kanaal van Gouwesluis naar Amsterdam. Dit verzoek om steun voor het project leidde tot een positieve reactie van de koning en andere overheidsinstanties.

Het project vorderde gestaag, maar niet zonder hindernissen. Toestemming voor het oprichten van de trekschuitendienst werd uitgesteld totdat de vaart gereed was. Ondertussen hadden de burgemeesters van Bodegraven, Reeuwijk en Zwammerdam plannen gemaakt en financiering geregeld voor de aanleg van weg en vaart. Ondertussen vroeg het polderbestuur van Reeuwijk een forse vergoeding voor de gevolgen van de nieuwe schutsluis, wat leidde tot meningsverschillen en uiteindelijk de bouw van een nieuwe watermolen met een grotere capaciteit.

Het kostte tijd, maar op 15 juli 1830 verleende koning Willem I eindelijk autorisatie voor de oprichting van de “Associatie tot aanleg en onderhoud van de weg en vaart tussen Gouda en Bodegraven”. Deze associatie zou bijna 120 jaar verantwoordelijk zijn voor de particuliere wegen in de regio.

In deel twee van dit verhaal zullen we dieper ingaan op de ontwikkeling van de vaart en de financiering van dit ambitieuze project, evenals de uitdagingen die de initiatiefnemers onderweg tegenkwamen. Blijf op de hoogte voor het vervolg van dit historische verhaal.

Tekst: Eke Vos/AnneMarie Visser, bron: Reeuwijkse Reeks, Streekmuseum Reeuwijk

Foto’s: Cornelis Hagen, Gemeente Bodegraven-Reeuwijk, Patrick Vegt

MEER

Deel dit bericht:

Facebook
WhatsApp